Patara
Patara (Ptarra, Pataras, tijdens Hellenisatie Arsinoe (Ἀρσινόη) genoemd) was een haven- en handelsstad in de oudheid. Het lag aan de Middellandse Zee-kust van het huidige Turkije, ten westen van Kalkan, nabij Kaş, in de provincie Antalya.
De stad was hoofdzakelijk ontstaan door haar natuurlijke haven. De ligging was strategisch: omdat het de enige stad in de regio was dat direct aan zee en het ten zuidoosten van de monding van de Xanthosrivier lag, functioneerde het als internationale toegangspoort tot Lycië. Het beleefde dan ook hoogtijdagen in de klassieke oudheid: behalve voor de handel diende de haven als uitvalsbasis van de oorlogsvloot van Alexander de Grote, werd het hoofdstad van de Lycische liga en werd het door de Romeinen gebruikt voor de op- en overslag van het graan dat uit Alexandrië naar Rome werd vervoerd. Ook voor de Byzantijnen was het nog een belangrijke stad, maar daarna verloor Patara aan belang met het dichtslibben van de have...Lees meer
Patara (Ptarra, Pataras, tijdens Hellenisatie Arsinoe (Ἀρσινόη) genoemd) was een haven- en handelsstad in de oudheid. Het lag aan de Middellandse Zee-kust van het huidige Turkije, ten westen van Kalkan, nabij Kaş, in de provincie Antalya.
De stad was hoofdzakelijk ontstaan door haar natuurlijke haven. De ligging was strategisch: omdat het de enige stad in de regio was dat direct aan zee en het ten zuidoosten van de monding van de Xanthosrivier lag, functioneerde het als internationale toegangspoort tot Lycië. Het beleefde dan ook hoogtijdagen in de klassieke oudheid: behalve voor de handel diende de haven als uitvalsbasis van de oorlogsvloot van Alexander de Grote, werd het hoofdstad van de Lycische liga en werd het door de Romeinen gebruikt voor de op- en overslag van het graan dat uit Alexandrië naar Rome werd vervoerd. Ook voor de Byzantijnen was het nog een belangrijke stad, maar daarna verloor Patara aan belang met het dichtslibben van de haven en werd het geleidelijk aan verlaten. De laatste teken van leven was volgens de historici in de 15e eeuw.
Heden is Patara een archeologische vindplaats en openluchtmuseum in een drasland estuarium aan de Turkse zuidkust, begrensd door het Patara-strand in het zuiden en het dorpje Gelemiş in noorden.
De baai van Patara was een van de weinige veilige baaien aan de Lycische kust waar zeelieden beschutting konden vinden en was de hoofdreden voor het ontstaan van de eerste nederzetting aldaar. De haven was strategisch gelegen omdat het een verbindingspunt vormde tussen de Middellandse Zee en het nabijgelegen door steden en nederzettingen bevolkte Xanthos Vallei. Deze eigenschappen leidde ertoe dat Patara tot de belangrijkste havenstad in de regio uitgroeide.
Oudste beschavingenDe eerste nederzetting in Patara was in de vroegste bronstijd, zo'n drieduizend jaar voor Christus.[a] In de late bronstijd, dat was in de 13e eeuw v. Chr., was een Lukka-expeditie van de hettietenkoning Tudhaliya IV die naar Patara heeft geleid, toen Patar of Pttara genoemd. Rond 540 v.Chr. kwam Lycië onder de heerschappij van het Perzische Rijk.
Klassieke oudheidAlexander de Grote arriveerde in Lycië rond 334 v.Chr. en maakte van Patara een militaire haven. Na Alexanders dood werd de stad een speelbal van zijn generaals, de Diadochen. In de 3e eeuw v.Chr. kwam het onder de heerschappij van de Ptolemaeusdynastie en veranderde de stadsnaam tijdelijk in Arsinoe.
Het werd de hoofdstad van de Lycische Liga, dat in 168/7 v.Chr. werd opgericht. Het was dan ook een van de belangrijkste steden van Lycië, blijkens ook het maximaal aantal van 3 stemmen die het had in de Lycische liga. Patara behield haar functie als hoofdstad toen Lycie in 43 na Christus als provincie bij het Romeinse Rijk werd ingelijfd. De Pax Romana bracht de stad lange tijd vrede en welvaart.[1]
Als gevolg van alluviumafzettingen aan de monding van de Xanthosrivier transformeerde de voorheen grillige kust in de loop van de eeuwen tot een vrij strakke kustlijn waarbij inhammen en baaien eerst meertjes en later drasland werden. Ook de natuurlijke haven van Patara, nog altijd gelegen op vijf kilometer ten zuidoosten van Xanthos, slibde geleidelijk aan dicht en werd de stad in de loop van de Byzantijnse tijd geleidelijk aan verlaten.[2]
Seltsjoekse en Ottomaanse tijd
De karveel, een scheepstype dat in de 13e en 14e eeuw de haven van Patara aandeed.De stad was op sterven na dood toen het door de Seltsjoeken overgenomen werd. De Seltsjoeken heersten in Patara vanaf 1211 toen een grensovereenkomst met de Oost-Romeinen was getekend. Uit deze overeenkomst en de brief van 1216 aan Hugo III van Cyprus blijkt dat controle op piraterij werd uitgevoerd door de inzet van Seltsjoekse oorlogsschepen, die in Lycische havens lagen, waaronder die van Patara, en dat die schepen ook werden gebruikt voor de herovering van Antalya in 1216. Het Seltsjoeks-Venetiaanse handelsverdrag van 1220 gaf de Seltsjoeken controle over Lycië en de Turkmeense en Romeinse bevolking, evenals over de havens van Lycië, waaronder die van Patara. De Seltsjoekse marinebasis werd ook gebruikt voor de lokale cabotagehandel en voor pelgrimages van Latijnen en Rumenen naar de geboorteplaats van Sint-Nicolaas en, vanaf de jaren 1270, als uitvalsbasis voor jihad-rooftochten op Latijns en Romeins grondgebied en scheepvaart. De welvaart onder de Seltsjoeken duurde voort tot de plundering van Patara door Lusignaanse kruisvaarders in 1362, waarop de haven van Patara disfunctioneel werd.
Hoewel algemeen wordt aangenomen dat de verzanding van de haven de belangrijkste reden was voor het verlaten van Patara, speelden ook andere factoren een rol. Zo was er door het ontbreken van een versterkte toegang tot de haven een permanente dreiging van een overval op Patara door de Hospitaalridders van Sint-Jan van Jeruzalem, die in de periode 1310-1522 op Rhodos gevestigd waren. Deze ridders hadden middels scheepspatrouilles controle over de nabije vaarroutes: alleen Latijns-Romeinse en geen islamitische koopvaardijschepen konden passeren, wat de route onveilig maakte. Ondertussen ontwikkelden zich in de 14e eeuw veiliger bases in Carië en noordwaarts, zoals Miletus (Balat), Peçin (Milas), Phesus (Ayasoğluk) en Smyrna (Izmir), om de jihad te vervolgen. Verder droegen de ontvolking door de pest van 1347 en de afstand over land van de haven van Patara naar de grote stedelijke centra bij tot de ondergang van de eens zo belangrijke stad.[3]
Het laatste bericht over activiteit uit het oude Patara is aan het einde van de 15e eeuw, wanneer Sultan Cem aldaar de ridders van Rhodos ontmoette. Vermoedelijk was de baai daarna definitief dichtgeslibt.
Met de overgave van de ridders van Rhodos in 1522 werd de zeeweg van Istanboel naar Egypte langs Patara weer begaanbaar voor Ottomaanse koopvaardijschepen, maar de haven van Patara was toen allang verzand en de stad verlaten. De vuurtorens van Patara diende echter nog steeds als oriëntatiepunt voor zeelieden, zoals blijkt uit Piri Reis' zeekaarten van 1524, waarop wel de vuurtoren maar niet de haven is aangegeven.[3] Daarna verdwenen ook de laatste tekens van Patara door aardbevingen en tsunami's in het oprukkende zand.
Herontdekking in de 19e eeuwIn 1811 werd Patara 'herontdekt' door een expeditie van de archeologische Society of Dilletante. Enkele van de gravures die toen gemaakt waren geven een goed beeld van de staat van het voormalige havengebied in de 19e eeuw, dat toen nog gevuld met water was.[4]
De voormalige haven in de 19e eeuwHeden is het estuarium van de voormalige haven drasland, van de zee gescheiden door een ca. 600 meter brede strook van zand en duinen. De vuurtoren van Patara was rond de 21e eeuwwisseling in deze duinen opgegraven en restauratiewerzaamheden hieraan waren in 2021 begonnen. De antipharos die aan de andere kant van de voormalige haveningang gestaan moet hebben was door moeilijke toegankelijkheid in het drasland toen nog niet teruggevonden.
Als gevolg van de natuurlijk gevormde dam kan het waterniveau in het drasland wel eens tot een meter boven zeeniveau stijgen. De getijden in het gebied hebben ertoe geleid dat het drasland zich tot aan het noordelijk gelegen dorpje Gelemiş heeft ontwikkeld. Het rietgevulde moerasgebied was anno 2019 anderhalf kilometer lang en een kleine halve kilometer breed.
In het gebied bevinden zich als overblijfsel van het havengebied twee tussen de 100 en 200 meter grote en 5 meter diepe peervormige plassen. De zuidelijkste plas, de Tekerlekgölü, is een restant van de voormalige binnenhaven. Dit meertje wordt tezamen met het aan de oostelijke oever gelegen dadelpalmbosje van Leto in verband gebracht met mythische vertellingen over de geboorte van Apollo.
Ter plaatse van waar zich de westerse agora in Patara bevond staat heden de Abora IV, een replica van een antiek Egyptisch handelsschip geparkeerd.
Citefout: Er bestaat een label <ref> voor de groep "kleine-letter", maar er is geen bijbehorend label <references group="kleine-letter"/> aangetroffen
Reactie toevoegen