Hospices de Beaune
De Hospices Civils de Beaune of kortweg Hospices de Beaune is een liefdadigheidsinstelling opgericht in 1443 door Nicolas Rolin als een armenhospitaal in Beaune (Bourgondië). Het oorspronkelijke hospitaal, het Hôtel-Dieu wordt beschouwd als een van de pronkstukken van de Vlaams-Bourgondische bouwstijl, die aanleunt bij de laat-gotiek uit de 15e eeuw. Tegenwoordig doet het gebouw dienst als museum. De organisatie is ook bekend van haar jaarlijks terugkerende veiling van wijnverkoop voor het goede doel, die al jaren de gebouwen van de organisatie mee financiert.
Na het einde van de Honderdjarige Oorlog (1337-1453) heerste in Frankrijk grote armoede en hongersnood. De vrede van Atrecht[1] maakte in 1435 weliswaar een einde aan de oorlog tussen de Bourgondische Nederlanden en Frankrijk, maar toch bleven de gevolgen in de daaropvolgende jaren aanzienlijk. Deze hongersnood kostte in Beaune alleen al aan drie vierde van de inwoners het leven.
In het licht van die situatie besloten Nicolas Rolin, kanselier van de hertog van Bourgondië Filips de Goede, en zijn vrouw Guigone de Salins op 4 augustus 1443 om een hospitaal voor armen te bouwen. Er was vooraf twijfel over de locatie tussen Autun en Beaune. De keuze viel uiteindelijk op de laatste wegens de ligging en het ontbreken van een kloosterorde in de stad.
Een Latijns dankschrift uit 1491 wijst Jacobus Wiscrere aan als uitvoerder (peractorem). Waarschijnlijk was deze architect een lid van het Brusselse bouwmeestersgeslacht De Visscher.[2]
Op 1 januari 1452 werd de eerste patiënt in het centrum verzorgd. Ouderen, invaliden, wezen, zieken, zwangere vrouwen en armen hadden er van de middeleeuwen tot in de 20e eeuw gratis toegang. In 1459 wordt door Rolin de orde Sœurs Hospitalières de Beaune opgericht, die een kloosterleven combineren met de hulp aan de armen. Gedurende eeuwen was het Hôtel-Dieu hun werk- en woonplaats.
↑ (fr) Laurent Albaret,XVe siècle. Le traité d’Arras, Clionautes ↑ Alphonse Wauters, À propos de l'Exposition nationale d'architecture. Études et anecdotes relatives à nos anciens architectes, 1885, p. 48
Reactie toevoegen